Kaartkijken Mijn huis staat in… - Jaar 7

Omschrijving

In deze les onderzoeken de leerlingen wat de plek waar zij wonen betekende voor de mensen die er vroeger werkten en leefden.

De leerlingen verwoorden de overeenkomsten en verschillen tussen het leven van een 11-jarige vroeger en nu. Ze vergelijken het landschap, vervoer en beroepen van vroeger en nu.

WerkvormActiviteit

Voor de les

Bekijk de instructiefilm van de kaartvergelijkingswerbsite www.kaart.cc. Welke karakteristieken heeft de schoolomgeving? Lees achtergrondinformatie Industrialisatie en zet (digitaal) het werkblad Mijn huis staat in… per tweetal klaar.

20 min. Onderwijsleergesprek

Start een kringgesprek over beroepen. Wat willen de leerlingen later worden? Wat doen hun ouders voor werk? Weten ze welk beroep hun grootouders hadden? Is dat hetzelfde als wat hun ouders doen? Werken hun ouders in de streek of moeten ze reizen? Hoe gaan hun ouders naar hun werk? Met de fiets, de auto of openbaar vervoer?

Ga naar www.kaart.cc. Toets rechts bovenin het adres van jullie school. Links verschijnt de kaart en rechts het satellietbeeld van deze plek. Zoom uit zodat ook de omgeving te zien is. Hoe zie je wat bebouwing is? Is er water in de buurt? Zijn er weilanden? Wat voor wegen zijn er? Zijn er spoorlijnen? Welke gebouwen zie je?

Zoom in op de school. Kies nu rechts een andere kaart: Bonnebladen 1901 -1925. Deze kaart laat zien hoe deze plek er honderd jaar geleden uitzag. Waren er even veel bebouwingen/wateren/weilanden/(spoor)wegen in de buurt? Is de woonplaats even groot? Zie je bekende namen? 

Nu gaan veel mensen met de auto naar hun werk. Dat is niet altijd zo geweest. In de tijd van hun grootouders en daarvoor werkten veel mensen op de plek waar ze woonden. Het was vroeger niet gemakkelijk om ver te reizen voor je werk. Om ergens te komen deed je er veel langer over dan nu. Bedenk waarom dat zo was. Bijvoorbeeld: vervoersmiddelen waren anders; wegen waren anders. Het beroep dat je had, had veel te maken met de plek waar je woonde. Bedenk wat je nodig hebt voor werk. Bijvoorbeeld: vraag-aanbod; benodigdheden/materialen. Wat is daarmee het verschil tussen vroeger en nu?  De omgeving waar je woont, biedt de middelen die nodig zijn om dit beroep te kunnen doen. Daarom kwamen/komen sommige beroepen op een bepaalde plek heel veel voor. Bedenk beroepen die je alleen op een bepaalde plek kan uitoefenen. Bijvoorbeeld: visser, scheepsbouwer, molenaar, steenarbeider, brugwachter, stationsbeambte, hoteldirecteur.

Vraag: kun je op de kaart zien welke beroepen er in jouw omgeving werden uitgevoerd? Bekijk: Is er een rivier / spoorlijn / kanaal in de buurt? Is er een spoorlijn in de buurt? Welke beroepen horen hierbij? Is er veel landbouwgrond? Woon je in een stad? Concludeer: door goed naar het landschap om je heen te kijken, zie je welke beroepen in de omgeving werden uitgeoefend. 

lees meer
30 min. Samenwerken

Leerlingen maken in tweetallen (digitaal) het werkblad.

10 min. Nabespreking

Wat is jullie opgevallen bij de kaarten van vroeger en nu? Stel dat je 100 jaar geleden had geleefd, welk beroep uit jullie omgeving had je dan het liefst gehad? Welke beroepen bestaan nu niet meer, die toen nog wel bestonden? Wat zijn de grootste verschillen tussen een dag van Neel of Aart, en jullie dag? Wat zijn de overeenkomsten? Zou je een dag willen ruilen met hen?

 

Na de les

Sla de werkbladen op. 

Wat heb je nodig?