Kaartkijken Mijn huis staat in… - Jaar 7

In deze les onderzoeken de leerlingen wat de plek waar zij wonen betekende voor de mensen die er vroeger werkten en leefden. 

Doel

De leerlingen leren op welke manier het landschap een essentiële invloed heeft gehad op het leven van de bewoners van een streek.

Duur

60 minuten 

Voorbereiden

Nodig

  • Digibord en computers met internetverbinding 
  • Kaart.cc
  • Werkblad Mijn huis staat in… Let op: deze opent eerst online, open het vervolgens met Adobe.

Organisatie

Start klassikaal onderwijsleergesprek, samenwerken in tafelgroepjes achter de computer, presenteren van bevindingen.

Wat heb je nodig?

Portfolio opdracht

Plaats de opdracht in het portfolio.

Plaats in portfolio

Inleiding

Begin met een klassikaal gesprek over beroepen. Vraag de leerlingen wat ze later graag willen worden. Vraag ze ook wat hun ouders voor werk doen. Vraag aan de leerlingen of ze weten welk beroep hun grootouders hadden. Is dat hetzelfde als wat hun ouders doen? En wat ze zelf later willen worden?
Waar werken hun ouders? Is dat in de streek of moeten ze daar een stukje voor reizen? Er zijn vast een aantal ouders die forenzen voor hun werk. Hoe gaan ze naar hun werk? Met de fiets, de auto of openbaar vervoer?

Ga naar www.kaart.cc. Toets rechts bovenin het adres van jullie school.
Links verschijnt de kaart en rechts het satellietbeeld van deze plek.
Zoom een klein beetje uit zodat ook de omgeving te zien is. 

Bespreek met de leerlingen wat je ziet: 

  • Hoe zie je wat bebouwing is?
  • Is er water in de buurt? 
  • Zijn er weilanden? 
  • Wat voor wegen zijn er? 
  • Is er een spoorlijn? 
  • Welke gebouwen zijn op de kaart te zien?
  • Maken zij of hun ouders daar vaak gebruik van? 

Zoom weer in op de straat van de school.

Kies nu links een andere kaart: Bonnebladen 1901 -1925. Deze kaart laat zien hoe deze plek er honderd jaar geleden uitzag. 

En zet het beeld rechts op kaart

Bekijk samen de verschillen:

  • Is er evenveel bebouwing? Is de woonplaats even groot? 
  • Zie je bekende namen? 
  • Was er evenveel water in de buurt?
  • Waren er evenveel weilanden?
  • Welke (spoor)wegen waren er toen wel en welke niet? 

In deze tijd werken veel mensen op een kantoor. Veel mensen gaan met de auto naar hun werk (en staan regelmatig stil in files). Dat is niet altijd zo geweest. In de tijd van hun grootouders en daarvoor werkten veel mensen op de plek waar ze woonden. 

Een reden daarvoor was dat het vroeger lang niet zo makkelijk was om verder weg te reizen voor je werk.
Om ergens te komen deed je er veel langer over dan nu.
Bedenk samen met de leerlingen waarom dat zo was:

  • De vervoersmiddelen waren anders: mensen gingen te voet, met de fiets of met paard en wagen.
    (De trein deed zijn intrede in het midden van de 19
    de eeuw maar het duurde nog een hele tijd voor er in het hele land spoorlijnen lagen). 
  • Er waren nog geen snelwegen. Reizen ging via kleinere (niet bestrate) wegen, het spoor of via het water. 

Het beroep dat je had, had dus veel te maken met de plek waar je woonde.
Bedenk samen wat je nodig hebt voor werk:

  • Er moet vraag naar zijn.  
  • Je moet aan de spullen kunnen komen die je voor het uitoefenen van je beroep nodig hebt. 
  • En een belangrijk verschil tussen vroeger en nu: de omgeving waar je woont, biedt de middelen die nodig zijn om dit beroep te kunnen doen. 

Daarom komen sommige beroepen op een bepaalde plek heel veel voor.
Die plek was dan een goede plek om dat werk te doen. Vraag aan de leerlingen of ze een beroep kunnen bedenken die je alleen op een bepaalde plek kan uitoefenen.
(Denk aan visser, een scheepsbouwer, steenarbeider, brugwachter, stationsbeambte, hoteldirecteur, winkelier, molenaar, boer, fabrikant)

Vraag: Zou je op de kaart kunnen zien welke beroepen er in jouw omgeving werden uitgevoerd?
Hier kun je dan op letten: 

  • Is er een rivier in de buurt? Welk werk hoort hierbij? 
  • Is er een spoorlijn in de buurt? Welke beroepen horen hierbij?
  • Is er een kanaal in de buurt? Dan hebben mensen die eigenhandig gegraven en varen schippers er met hun goederen over heen. 
  • Is er veel landbouwgrond? Dan is het vast een goede plek voor boeren. 
  • Woon je in een stad? Dan is het vast een plek waar handelaars en hun toeleveranciers werk vonden. 

Concludeer: door goed naar het landschap om je heen te kijken, zie je welke beroepen in de omgeving werden uitgeoefend. 

Kern

De leerlingen maken in tweetallen het werkblad Mijn huis staat in …
Dit werkblad is digitaal in te vullen. Laat ze het werkblad opslaan onder hun eigen naam in hun eigen portfolio.

Afsluiting

Bespreken van de plannen en ontwerpen.
Komt het plan ook in het ontwerp naar voren?
Op welk manier hebben de 4 functies vorm gekregen?
Wat vinden de leerlingen belangrijk in hun eigen omgeving?

Wat heb je nodig?

Portfolio opdracht

Plaats de opdracht in het portfolio.

Plaats in portfolio

Opdrachten

1

Weet jij al wat je later wilt worden?
Vroeger de plek waar je woonde belangrijk voor het beroep dat je kon uitoefenen.
Welk werk de mensen uit jouw streek vroeger deden, ga je in deze les ontdekken. 

Maak de opdrachten op het werkblad Mijn huis staat in…
Let op: het werkblad opent eerst online, open het vervolgens met Adobe, ga er dan pas in werken.
Sla daarna het werkblad op en plaats het ten slotte in jouw portfolio.
Wil je weten hoe het portfolio werkt? Klik hier!

Succes!

 

Wat heb je nodig?

Portfolio opdracht

Plaats de opdracht in het portfolio.

Plaats in portfolio